Dat is heel in ’t kort mijn “carrière” samengevat. Ik werd in 1950 als zoon van een fietsenmaker in Scheveningen geboren. Mijn vader was een boerenzoon van Voorne en Putten en mijn moeder een Scheveningse vissersdochter. Een geen wonder dus, dat ik eenaltijd blijvende belangstelling voor zowel het agrarische en het maritieme heb gehad. Zomers logeren op de boerderij van een oom en tante in Hekelingen. En thuis, in Scheveningen, zwerven langs het strand, de havenhoofden (met visjes en zeeanemonen in plassen tussen de stenen) en de haven met toen nog volop bedrijvigheid en een honderdvijftig loggers en trawlers. Hoewel ik m’n ouders nooit op een echt diepgaande belangstelling voor beeldende kunst (mijn broer vond onlangs nog wel een heel aardige door m’n vader gemaakte tekening, maar van zijn tekenen zijn we nooit getuige geweest) en muziek heb kunnen betrappen (ze hielden van opera, maar hoorden het niet als er vals gezongen werd of als de pick-up met onregelmatige snelheid operaplaten mishandelde) hadden m’n zus, m’n drie broers en ik, van jongs af aan belangstelling voor tekenen en muziek. M’n oudste broer was de Rembrandt van de familie (een 9 voor tekenen op z’n rapport van Jan van Heel) en mocht tekenpapier en schildersmateriaal kopen als hij pa daar om vroeg. De mindere goden (een 8½ van Van Heel) hadden dat voorrecht niet.

Toch koos m’n oudste broer niet voor de kunst. M’n zus en ik wel.