meer teruggekregen). Begon al gauw plezier in het fotograferen zelf te krijgen, vooral bij slecht weer vond ik het spannend uitvarende schepen vast te leggen. Zo fotografeerde ik ook de stranding van onze reddingboot Bernard van Leer. De foto’s stuurde ik op naar de reddingmaatschappij. Van directeur Van der Zweep mocht ik mee op een oefentocht. Een jongensdroom die uitkwam. Ik maakte kennis met schipper Jan Pronk, stuurman Arie den Heijer, motordrijver Jas Spaans en de vrijwilligers (opstappers) van reddingstation Scheveningen. Van schipper Pronk mocht ik later ook op reddingsacties mee. Uiteindelijk zou ik zo’n twintig jaar op de reddingboot blijven varen. Intussen had ik een Canon AT1 met telelens en een Rolleiflex 6 x 6 gekocht. Van m’n schoonzus had ik afdrukken geleerd(het papier eerst in de ontwikkelaar en voor hij te donker wordt, dompel je hem vlug in de fixeer). Op een goede dag met foto’s naar het Schevenings Museum om te vragen of ze er belangstelling voor hadden. Dat leidde tot de éénmanstentoonstelling “Bombrood halen”, die van drie zelfs nog naar vier maanden verlengd werd. Museumvoorzitter Karel Pronk hadbezoek gehad van redacteur Jan van der Gugten van De Visserijwereld. Die zocht iemand voor de wekelijkse rubriek over het Scheveningse afslaggebeuren. Of ik daar misschien zin in had. Ik ging steeds meer schrijven en fotograferen voor De Visserijwereld en na de overname voor Visserijnieuws. In 1982 had ik de laatste aquarel en het laatste olieverfschilderij gemaakt. Eigenlijk was ik al van 1980 full-time maritiem fotograaf. De gouden jaren leken begonnen. Ik verdiende goed en kon ook een andere kinderdroom waar maken: met een vissersschepen